Jongeren

Verschillende landelijke onderzoeken monitoren het rookgedrag van jongeren.

  • Het Peilstationsonderzoek verzamelt cijfers over middelengebruik (o.a. roken) van scholieren van 10-18 jaar. De laatste meting was in 2015.1
  • De Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)-studie verzamelt onder auspiciën van de WHO gegevens over gezondheidsgedrag, waaronder rookgedrag, onder schoolgaande jongeren van 11-16 jaar. Nederland heeft in 2001, 2005, 2009, 2013 en 2017 deelgenomen.
  • De Roken Jeugd Monitor (RJM) verzamelde jaarlijks gegevens over rookgedrag onder jongeren van 10-19 jaar, inclusief jongeren die geen dagopleiding volgen.3 In 2013 is de RJM voor het laatst uitgevoerd.

Trends

  • Sinds 1999 daalt het percentage jongeren dat ooit heeft gerookt. Tussen 2007 en 2011 leek deze daling enigszins af te vlakken, maar tussen 2011 en 2015 daalde het percentage jongeren dat ervaring heeft met roken weer sterk (van 33% in 2011 naar 23% in 2015). Tussen 2015 en 2017 daalde het aandeel jongeren dat ooit gerookt heeft nog meer, van 23 naar 17 procent.
  • Het aantal scholieren dat de afgelopen maand nog heeft gerookt leek zich, na een daling tussen 1999 en 2003, tussen 2003 en 2011 te stabiliseren rond de 17 procent. In 2015 trad echter weer een significante daling op naar 11 procent. Die daling zette zich voort naar 8 procent in 2017.
  • De daling tussen 2011 en 2015 in de lifetime- en maandprevalentie van roken doet zich binnen alle leeftijden en onder zowel jongens als meisjes voor. Tussen 2015-2017 is er een daling in het ooit hebben gerookt voor de gehele groep, maar niet voor alle afzonderlijke leeftijdsgroepen.
  • Het aantal scholieren dat dagelijks rookt is sterk afgenomen tussen 2001 en 2017: in 2001 rookte 13 procent dagelijks, in 2017 was dat 2 procent. 

Roken (12 t/m 16 jaar)

Bron: Peilstationsonderzoek Scholieren/Leefstijlmonitor,
Trimbos-instituut i.s.m. RIVM, 2015

 

Roken (11 t/m 16 jaar)

Bron: HBSC 2017. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Trimbos-instituut i.s.m. Universiteit Utrecht en Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), 2018

Leeftijd, geslacht, etniciteit en schoolniveau

  • De gemiddelde leeftijd waarop jongeren voor het eerst een sigaret opsteken is de afgelopen jaren significant gestegen. In 2015 zijn jongeren gemiddeld één jaar ouder als zij met roken gaan experimenteren dan in 2003 (12,9 jaar versus 11,8 jaar).
  • Van de 12- t/m 16-jarige scholieren in het voortgezet onderwijs rookte in 2015 drie procent dagelijks een sigaret: iets meer jongens (4%) dan meisjes (3%), maar het verschil is niet significant. In 2017 rookte twee procent dagelijks. Onder de 12- en 13-jarigen in het voortgezet onderwijs zijn nauwelijks dagelijks rokers (<1%).
  • Vanaf de leeftijd van 14 jaar zien we echter een toename; onder de 14-jarigen was in 2017 2 procent een dagelijks roker en op 15-jarige leeftijd 5 procent.2
  • Het percentage neemt echter niet verder toe, ook onder de 16-jarigen is zes procent een dagelijks roker.
  • Marokkaanse scholieren hebben in vergelijking met scholieren van Nederlandse of een andere etnische afkomst, het minst ervaring met het roken van een sigaret (5%). 
  • Het gemiddeld aantal sigaretten dat wordt gerookt lijkt af te nemen met het toenemen van het schoolniveau. Onder de rokers op VMBO-b zijn aanzienlijk meer zware rokers (meer dan tien sigaretten per dag) (23%) dan onder de rokers op het VWO (1%), HAVO (10%) en VMBO-t (12%).1

Waterpijp en elektronische sigaret


Waterpijp

  • Achttien procent van de 12- t/m 16 jarige scholieren in het voortgezet onderwijs in 2017 had ooit een waterpijp gerookt. Dit betreft vaker jongens dan meisjes.2
  • Voor het roken van waterpijp is een stijging met de leeftijd zichtbaar, van 7 procent op 12-jarige leeftijd naar 30 procent van de 16-jarigen.2
  • Het percentage waterpijp rokers is het hoogst op het VMBO-b (een derde). Met het stijgen van het schoolniveau daalt het percentage scholieren dat ooit waterpijp heeft gerookt naar ruim één op de zes VWO leerlingen.1
  • Gebruik van de waterpijp ooit in het leven komt het meest voor onder Turkse, Antilliaans/Arubaanse en Surinaamse scholieren en het minst bij Marokkaanse scholieren.1

Elektronische sigaret

  • In 2017 had ongeveer 6 procent van de leerlingen in het basisonderwijs al wel eens een e-sigaret gerookt, jongens vaker dan meisjes.2
  • Ruim een kwart van de 12- t/m 16 jarige scholieren in het voortgezet onderwijs had ooit een elektronische sigaret gebruikt. Dit betreft vaker jongens dan meisjes.2
  • Ervaring met een e-sigaret stijgt met de leeftijd: 13 procent onder 12-jarigen, 31 procent onder 14-jarigen en 39 procent onder de 15-jarigen.2
  • De E-sigaret is populairder dan de waterpijp onder jongeren, de waterpijn lijkt even populair als gewone tabak.
  • Het percentage scholieren dat ooit een elektronische sigaret heeft gebruikt is het hoogst op het VMBO-b (46%). Met het stijgen van het schoolniveau daalt het percentage dat een elektronische sigaret gebruikt heeft naar een derde van de scholieren op de HAVO en een vijfde van de VWO leerlingen.1
  • Vergeleken met Nederlandse scholieren hebben Antilliaans/Arubaanse en Turkse scholieren vaker een e-sigaret gebruikt en Marokkaanse scholieren minder vaak.1

Opvattingen van ouders

In de HBSC-studie van 2017 is gekeken naar de regels van ouders over roken.6

  • Ouders zijn in de loop van de jaren strenger geworden in hun regels over roken. Tussen 2009 en 2017 nam het percentage ouders dat aangaf dat er niet gerookt mag worden toe van 71 tot 87 procent.

In de HBSC-studie van 2013 zijn ook de opvattingen van ouders onderzocht.2

  • Bijna alle ouders (99.7%%) vinden dagelijks roken onder de 16 jaar schadelijk. Dat wijkt niet af van de gegevens uit 2011. In 2013 vinden beduidend meer ouders dan in 2011 dat ook af en toe roken onder de 16 jaar schadelijk is (respectievelijk 89.1% versus 77.7%). 
  • De verhoging van de leeftijdsgrens voor het kopen van tabak naar 18 jaar wordt door 88.9% van de ouders ondersteund.
  • Ruim een kwart van alle ouders (26.8%) rookt in het bijzijn van hun kind. Van de rokende ouders rookt zelfs 91.7% in het bijzijn van hun kind.
  • Er zijn grote verschillen in opvattingen tussen rokende en niet-rokende ouders. Rokende ouders hebben minder strenge opvattingen over het roken van jongeren onder de 16 jaar en het roken van hun eigen kind. Daarnaast hanteren ze minder strenge regels, hebben een minder goede communicatie met hun kind over roken en verwachten ze minder effectiviteit van hun opvoedgedrag met betrekking tot roken.

Internationale vergelijking

Het ESPAD onderzoek5 in 2015 maakt een vergelijking mogelijk van het rookgedrag van 15- en 16-jarige scholieren in het middelbaar onderwijs in Europa.

  • Gemiddeld had 46% van de Europese scholieren die meededen aan het ESPAD onderzoek ooit gerookt en 21% in de afgelopen maand. 
  • Van de vergeleken landen scoorden scholieren uit Italië (37%), Bulgarije (33%) en Kroatië het hoogst (33%) wat betreft roken in de afgelopen maand.
  • Noorwegen (10%), Moldavië (9%) en IJsland (6%) scoorden het laagst op roken in de afgelopen maand. 
  • In sommige landen zijn duidelijke verschillen tussen jongens en meisje. In Georgië, Moldavië, Albanië en Oekraïne rookten veel meer jongens dan meisje en in Monaco, Malta en Slovenië rookten juist veel meer meisjes dan jongens. 
  • Nederlandse scholieren scoorden gemiddeld: 39% had ooit wel eens gerookt en 21% had in de afgelopen maand nog gerookt.

Roken in de afgelopen maand onder leerlingen van 15 en 16 jaar van het voortgezet onderwijs in verschillende Europese landen. Peiljaar 2015

Bron: ESPAD.5

Bronnen

1. Verdurmen, J. et al. (2015). Jeugd en riskant gedrag 2015. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht: Trimbos-instituut.
2. Stevens, G. et al (2018). HBSC 2017. Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht, Trimbos-instituut, Sociaal en Cultureel Planbureau.
3. Verdurmen, J., Monshouwer, K., & Laar, M. van (2014). Roken Jeugd Monitor 2013. Utrecht: Trimbos-instituut.
4. Maziak, W. (2011). The global epidemic of waterpipe smoking. Addictive Behaviors, 36(1-2), 1-5.
5. The ESPAD Group (2016). The 2015 ESPAD report. Results from the European School Survey
Project on Alcohol and Other Drugs. Luxemburg: The European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA)